Wie was Bredius ?


[tekst overgenomen uit het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letteren, uitgave juni 1947]

Abraham Bredius werd geboren in Amsterdam op 18 April 1855.
Hij overleed 13 maart 1946 op bijna een en negentigjarige leeftijd in Monaco, waar hij sedert 1924 woonde.

Dr Abraham Bredius, een der grootste kunstkenners van ons land, een man die terecht een internationale vermaardheid genoot wegens zijn aan smaak en eruditie, fijngevoeligheid en intuïtie gepaarde reusachtige kennis van onze zeventiende-eeuwse schilderkunst.
Bredius was een man van groot formaat, een uitzonderlijke figuur, iemand die zijn eigen wegen ging en met alle felheid, geestdrift en werkkracht die in hem was, voor de belangen van onze grote schilderkunst streed. Hij was, gelijk zo velen van zijn geslacht (Victor de Stuers, Mr. S. Muller, Jan Veth, Dr C. Hofstede de Groot) een vechtersbaas.

Er werd in zijn tijd bijna dagelijks, tot in de dagbladpers toe, over onze oude kunst gevochten.

Achteraf beschouwd, heeft dit veel bijgedragen tot het wekken van belangstelling bij publiek en overheid.

Wanneer men nagaat wat er in die tijd al niet is bereikt, dan mag men dit voor een goed deel op rekening zetten van de felheid der toenmalige tegenstellingen. Hoe sterk heeft zich niet, sinds de opening van het Rijksmuseum, De Stuers’ schepping (1885), ons museumwezen ontwikkeld. Hoe is onze monumentenzorg verbeterd!
In de rij der voorvechters voor de verzorging, het behoud en de kennis van onze oude schilderijen neemt Abraham Bredius onbetwistbaar de eerste plaats in, al was dan ook zijn weg gebaand door de nòg fellere De Stuers en door mannen gelijk Vosmaer en Van Vloten.

Bredius was niet, gelijk De Stuers, een krachtfiguur. Hij was meer de gestage, op zichzelf werkende en speurende, die wist te verrassen door ons land met fenomenale Rembrandts te verrijken (Saul en David, Homerus, De Negers), een onbekende Memlinc te kopen, het auteurschap van Rembrandt aan te tasten door het Portret van Elizabeth Bas aan Bol toe te schrijven, opzienbarende archiefvondsten te doen betreffende een of ander onzer grootste meesters, het eindelijk schoonmaken door te zetten van vervuilde meesterwerken gelijk Hals’ Schuttersstukken te Haarlem – al te maal sensationele gebeurtenissen waardoor velen weer op de betekenis van onze oude meesterwerken opmerkzaam werden en waardoor voor menige Nederlander het bezoek aan een museum niet meer uitsluitend was een uitgangetje met een logé op een regendag.

Toen Abraham Bredius de eerste Juli 1889 directeur werd van het Mauritshuis, welk ambt hij gedurende twintig jaren (tot Juli 1909) zou bekleden, had hij reeds enige jaren in Rijksdienst doorgebracht als Onderdirecteur van het Nederlands Museum van Geschiedenis en Kunst, dat toen beneden in het Rijksmuseum te Amsterdam gevestigd was. Zijn opleiding berustte niet op enigerlei academische studie. De doctorstitel, die hem sierde, doet dit vermoeden, maar was het gevolg van welverdiende eredoctoraten in Giessen, Krakau en Amsterdam, hem verleend omdat hij uitblonk als man van wetenschap. Voor kunsthistorische opleiding was toen ter tijd generlei gelegenheid hier te lande. Een ‘museum-carrière’ bestond hier evenmin. Tot directeur of onderdirecteur benoemde men wie in het vak pleizier had en van wie men redelijkerwijs kon verwachten dat hij de functie behoorlijk zou vervullen. Op enige museum-loopbaan bereidde zich niemand voor. Bredius had eer het tegendeel gedaan. Langs kronkelpaden was hij éérst tot de kunstgeschiedenis en later aan een museum gekomen.

Bredius werd de 18e April 1855 geboren te Amsterdam op de Prinsengracht. Zijn vader behoorde tot de Oud-Amsterdamse handelskringen en was o.a. eigenaar van de buskruitfabriek De Krijgsman te Muiden. Abraham Bredius was enig kind en had het ongeluk, zijn moeder, Hendrika Hillegonda Brink, reeds op 10-jarige leeftijd te verliezen.
Zijn vader (die in 1894 stierf) nam toen een gouverneur om de zoon op te voeden.
Van enige kunstzin bij Bredius’ ouders is niets overgeleverd. Zijn grootvader evenwel, die eveneens Abraham heette en die van 1782 tot 1863 leefde, had op het landgoed der familie, Oud Bussum bij Naarden, een verzameling schilderijen van oude meesters aangelegd. Een deel hiervan vormde later de grondslag voor de collectie van zijn kleinzoon in Den Haag, waaruit het Museum Bredius is gegroeid. Het gehalte der collectie op Oud Bussum was zeer hoog. Dit blijkt o.a. uit de Van der Neer en de Ostade in het museum Bredius en De Kopster, van Brekelenkam, door Bredius’ grootvader gekocht in 1810 voor ƒ 275. In 1892 gaf zijn kleinzoon dit schilderij aan het Mauritshuis in bruikleen en thans is het aan dit Museum gelegateerd. Het is een der allermooiste Brekelenkams die wij kennen.

Dat de latere Directeur van het Mauritshuis voor de handel bestemd was, spreekt welhaast van zelf. Maar hij verzette zich hiertegen. Zijn hart ging uit naar de muziek en hoewel zijn vader het vreselijk vond dat zijn zoon ‘muzikant’ zou worden, kreeg Abraham ten slotte zijn zin. Met hart en ziel ging hij aan de arbeid en hij studeerde dermate intensief, dat hij een afwijking aan zijn pols of duim kreeg door het overmatig oefenen. Hij moest toen rust nemen en aanvaardde een reis naar Italië. Daar werd zijn impulsieve natuur gegrepen door de schilderkunst, en ook op dit gebied begon hij onmiddellijk een diepgaande studie. Zodoende kwam hij in aanraking met een der grootste kenners van zijn tijd, Wilhelm Bode, de latere directeur van het schilderijenmuseum te Berlijn. Deze wees hem er op, dat er voor hem als Nederlander een grotere taak was weggelegd dan de studie der Italiaanse kunst, die reeds zo lang en door zo velen werd beoefend, terwijl het terrein der geschiedenis van de Hollandse schilderkunst nog vrijwel braak lag. Bode’s raad, zich aan deze taak te wijden, werd door de jonge man opgevolgd. Het is verbazingwekkend, hoe vlug Bredius zich wist te oriënteren. Hij wierp zich op dit nieuwe studiegebied met hetzelfde élan, met dezelfde liefde en hartstocht als die hij getoond had bij zijn piano-studie.

Ditmaal had hij de koers gevonden die hij zou blijven volgen en die zijn verdere levensrichting bepaalde.

Het duurde niet lang of hij trok de aandacht van de almachtige Referendaris voor Kunsten en Wetenschappen, Victor de Stuers. Deze, in later jaren Bredius’ grootste vijand, benoemde hem tot onder-directeur van het Nederlands Museum van Geschiedenis en Kunst. Immers Bredius, groot geworden in een nog bijna 18e-eeuwse rijke omgeving, had zich reeds vroeg de kennis van oude meubelen, porcelein, zilver, costumes en wat niet al, eigen gemaakt. Hij had een bijzonder fijn gevoel voor kwaliteit ook op dit gebied en een zeer ontwikkelde smaak. Ook parels, juwelen en ringen interesseerden hem reeds toen. Zijn museumtaak te Amsterdam verrichtte hij met zorg. Hij breidde de hem toevertrouwde afdelingen uit, o.a. door het schenken van oude costumes uit eigen familiebezit. Ook schonk hij toen interessante schilderijen aan de schilderijen-afdeling van het Rijksmuseum. Niet voor niets prijkt zijn familiewapen in een der glazen van het trappenhuis aldaar als dat van een der voornaamste schenkers.

De schilderijen hadden Bredius’ grootste liefde. Toen het nieuwe Rijksmuseum geopend was, in 1885, verscheen van zijn hand een catalogus der schilderijen-collectie die zó goed was, dat hij tot 1902 in gebruik is gebleven. Met zijn grote geïllustreerde werk ‘Die Meisterwerke des Rijksmuseum in Amsterdam’ (1886-88) legde hij weldra de grondslag voor de geschiedschrijving van de oude Hollandse Schilderkunst.

Bredius werkte en werkte. Hij reisde veel en verwierf zich zowel door zijn enthousiasme en kennis als door zijn hoofse en innemende omgangsvormen tal van vrienden. Bode, de Franse schilder-kunsthistoricus Emile Michel en tal van museum-directeuren en collectionneurs begroetten hem meer en meer als de komende grote man, en terecht. Want Bredius was een zeer bijzondere en opmerkelijke verschijning ook in de internationale kunstwereld. Zijn fijne smaak, zijn scherpe kennersblik, zijn ‘flair’, zijn voortdurende werkzaamheid, zijn gulheid in het mededelen aan anderen van zijn vondsten, dit alles werd in hoge mate bewonderd. Zijn mening had weldra groot gezag. Hij was altijd openhartig in het uiten daarvan en het sierde hem, dat hij grif ongelijk erkende, wanneer hem een enkele maal bleek, dat hij zich had vergist.

Bredius was geen directeur in de ambtelijke en administratieve betekenis van het woord. Daarvoor was hij een veel te bewegelijke en vrijheidlievende natuur. Maar hij hield hartstochtelijk van het Koninklijk Kabinet van schilderijen, in het Mauritshuis gevestigd en voortgekomen uit de Stadhouderlijke verzamelingen, onder Koning Willem I verrijkt met Rembrandt’s Anatomie van Dr. Tulp en Vermeer’s Gezicht op Delft.

Door Victor de Stuers tot het directoraat geroepen, begon Bredius allereerst zelf het initiatief tot aankopen te nemen. Deze geschiedden namelijk door Victor de Stuers en nog in het jaar van zijn benoeming werd Bredius opgedragen een door De Stuers gekocht fraai Bloemstuk van Abraham van Beyeren in het Mauritshuis te plaatsen. Daarna echter was het uitsluitend Bredius, die kocht. Dit ging lang niet altijd met instemming van De Stuers, die als Referendaris voor Kunsten en Wetenschappen de Minister had te adviseren inzake de aankoop-voorstellen van de Rijksmusea. Ieder ogenblik gaf dit aanleiding tot botsingen: het laatste geval van die aard, over een Pieter Quast, heb ik nog als onderdirecteur meegemaakt. Bredius is – en terecht – steeds opgekomen voor de verantwoordelijkheid van de museum-directeur voor zijn aankopen en heeft daardoor de positie onzer museumdirecties niet weinig versterkt.

Bredius en De Stuers, beiden mannen van grote betekenis, beiden heerszuchtig, beiden slechts denkend aan de belangen van onze kunst, waren dermate uiteenlopende naturen, dat zij elkander in elk opzicht afstieten. Dit gaf op den duur tot grote verwijdering aanleiding, die haar toppunt bereikte toen de Minister een onder-directeur benoemde die, ofschoon bekwaam en kundig, niet degene was die Bredius had gewenst. Bredius sloeg alarm, de Tweede Kamer bemoeide zich er mee, spotprenten verschenen in de Kroniek, de Nederlandsche Spectator enz., waarbij er een voortreffelijke is van Marius Bauer, waarop Bredius is afgebeeld, flauw vallend bij de komst van ‘de profane’ in de Tempel. Eind 1900 nam de onder-directeur ontslag. Het volgend jaar ging De Stuers heen als Referendaris, omdat hij tot lid der Tweede Kamer was gekozen. Dit werkte kalmerend op Bredius, mede omdat hij met De Stuers’ opvolger, de heer Royer, goed kon opschieten.

Ik haal deze kwestie hier op, omdat de nu ingetreden rust tot gevolg had, dat Bredius voor het eerst het plan opvatte, zijn bruiklenen aan het Mauritshuis te legateren. Hij vertelde mij, die in 1901 onder-directeur was geworden, er van en zei woordelijk: ‘Ze kunnen ze krijgen als ze zoet zijn’. Dit wil zeggen: ‘Ik zal mijn schilderijen aan de Regering laten, mits deze mij verder met rust laat’.

Bredius had toen o.m. reeds Rembrandt’s Saul en David aan het Mauritshuis in bruikleen gegeven. Hij had er een ton voor betaald en er zijn coupeetje voor afgeschaft. Ook hingen reeds als bruikleen in het Kabinet de portretten van Rembrandt’s vader en moeder, Rembrandt’s Homerus, Brekelenkam’s Kopster en enkele andere belangrijke stukken. Alom trokken Bredius’ bruiklenen de aandacht. Zij verhoogden in dusdanige mate de betekenis der verzameling dat men later wel heeft gezegd, dat Bredius door zijn bruiklenen en aankopen het Mauritshuis beroemd heeft gemaakt. Deze voorstelling moge overdreven zijn omdat het zeer bijzondere gehalte van het vroegere Stadhouderlijke Kabinet sinds lang een internationale bekendheid had verschaft aan het Mauritshuis, dit maakte echter Bredius’ taak des te moeilijker, want zijn bruiklenen en aankopen moesten bij het hoge peil der collectie aansluiten, terwijl de voor aankoop beschikbare bedragen bedroevend klein waren en het oppotten van niet besteed geld verboden was. Het verbluffende was, dat hij aanstonds zeer bijzondere aankopen voor het Mauritshuis deed. Ging de prijs de beschikbare som te boven, dan kocht hij uit eigen zak en gaf het aldus verkregen kunstwerk in bruikleen. Gelukkig veroorloofden zijn middelen hem dit.

Deze bijzondere omstandigheden legden de grondslag tot de collectie die hij later aan het Kabinet zou legateren. Gold het zeer grote bedragen, dan werd ook vaak de steun der Vereniging Rembrandt ingeroepen. Tot de meest indrukwekkende werken die Bredius voor het Mauritshuis kocht, behoort het portret van Rembrandt’s Broeder Adriaen. Ook de aankoop van het Mansportret van Memlinc was iets zeer bijzonders. Bredius herkende Memlinc’s hand in dit als werk van Antonello da Messina te koop geboden meesterstuk. Toen dit schilderijtje later op de Primitieven-tentoonstelling, in 1902 te Brugge gehouden, werd ingezonden, werd het daar door alle specialisten als Memlinc erkend.

Bredius reisde veel. Er waren, vooral vóór de eerste wereldoorlog, zeer veel schilderijen in de handel, vooral in Londen, Parijs en Berlijn. Bredius was volkomen op de hoogte van de internationale markt. En hij kocht: voor het museum, voor andere Hollandse musea, en voor zichzelf. Hij liet zich door zijn kijk en zijn flair leiden. Soms vergiste hij zich, en dan maakte hij de koop ongedaan, hetgeen hem vaak veel geld kostte … Maar hij kon, gelijk gezegd, ongelijk bekennen en dit was een mooie kant van zijn karakter. Hij is aldoor overtuigd gebleven van het moeilijke van het kennerschap.

Systematisch verzamelen deed hij allerminst. Nooit zei hij iets als: ‘Nu zou ik nog eens een Rembrandt willen hebben zoo of zoo’. Maar wel had hij zo nu en dan zijn zinnen gezet op iets bepaalds. Zo rustte hij niet, vóórdat hij Rembrandt’s Negers had (1903).

Ook bleef hetgeen hij aan het Mauritshuis in bruikleen gaf, daar niet altijd. Rembrandt’s Meisje en Rembrandt’s Dame aan haar Toilet verhuisden later uit het Mauritshuis naar Bredius’ woning, terwijl hij b.v. de Eenden van Spruyt een tijd lang thuis had en daarna in het Mauritshuis plaatste. Maar de kern van de bruiklenen bleef constant en steeds nam hun aantal toe, tot het de vijf en twintig bereikte.

Dat het Bredius meer en meer ernst werd met zijn legaat, bleek wel zeer duidelijk toen burgemeester Van Karnebeek, uit vrees dat Bredius zijn bezit niet zou vermaken, trachtte, hem over te halen tot het stichten van een afzonderlijk Bredius-Museum op Zorgvliet. Bredius kon het helemaal laten bouwen en inrichten zoals hij dit verkoos. Maar Bredius zei: ‘Er is geen mooier omgeving mogelijk dan die van het Mauritshuis. Een nieuw gebouw is goed om schilderijen te bestuderen, maar niet om ervan te genieten’.

Toen enige jaren later – ik was inmiddels Directeur geworden – onenigheid rees over de aankoop van een schilderijtje van Aelbert Bouts, tegen het advies van Bredius, die toen Adviseur was, dreigde deze plotseling, al zijn bruiklenen uit het Mauritshuis terug te nemen, omdat de Minister behalve zijn advies ook dat van andere kenners had gevraagd. Waar zouden de schilderijen blijven? Bredius had ze aangeboden aan het museum de Lakenhal te Leiden en had dus wéér een oud interieur op het oog om ze te herbergen. Zozeer voelde hij behoefte aan een oud milieu voor zijn collectie. Dit geschil – waarbij wederom de Tweede Kamer te pas kwam – werd gelukkig in een voor het Mauritshuis gunstige zin opgelost. Bredius’ schilderijen bleven, evenals de Aelbert Bouts. Hierbij bleek wel, al werd het niet met woorden gezegd, dat Bredius’ liefde voor het Mauritshuis eveneens gebleven was. Sinds die tijd (1921) is zelfs het aantal bruiklenen nog uitgebreid, het laatst in 1929 met Het Afscheid van Benjamin door Barent Fabritius.

Bredius was inmiddels naar Monaco verhuisd. Bij zijn jaarlijkse bezoeken aan ons land kwam hij telkens zijn bezit bewonderen en inspecteren en herhaalde meer dan eens zijn plan, al dat schoons aan het Kabinet te vermaken. ‘Nergens hangen ze zo mooi als hier’, zei hij telkens weer. Maar voor bindende beloften was hij niet te vinden. Hij vreesde dat hij wel eens finantiële verliezen zou kunnen lijden en in zulk geval wilde hij vrij zijn om iets van zijn kostelijk bezit te verkopen. Inmiddels wees hij telkens weer elk bod op zijn Saul met beslistheid af. In 1931, op 15 Juli, sloot Bredius een overeenkomst met de Regering, waarin het legaat, dat thans een feit is geworden, in het vooruitzicht werd gesteld. Hij behield zich – terecht – alle vrijheid van handelen voor, maar de overeenkomst vertolkte zijn bedoelingen. Hij bleef van harte hopen, dat na zijn dood die 25 schilderijen aan het Mauritshuis zouden komen en uitte zich nog in 1939 jegens mij in deze geest. Zijn wens is in vervulling gegaan. Maar het heeft tot 1944 geduurd aleer hij het testament maakte, waarin dit legaat is vastgelegd.

Abraham Bredius was een zeer bijzonder man. Even bijzonder als uitzonderlijk. Hoewel met aardse goederen rijk gezegend, was hij één en al werkzaamheid. Hoewel onrustig, gejaagd, zenuwachtig en opvliegend, kon hij dagen achtereen nauwgezet snuffelen in vaak half verbrande archiefstukken naar gegevens over onze oude kunstenaars. Hoewel vaak geplaagd door rheumatiek en in ’t algemeen zeer gevoelig voor kleine aandoeningen van allerlei aard, verzuimde hij hoogst zelden een gelegenheid om iets te zien dat hem interesseerde. Hij was – om dit woord maar eens te gebruiken – bezeten van de begeerte om alles te zien wat onze schilders hadden voortgebracht en om hun leven als ’t ware opnieuw te beleven. De resultaten van zijn kennis publiceerde hij vaak met medewerking van anderen, vooral in tijdschriften. Maar zij kwamen ook ten goede aan de catalogi van het Mauritshuis. Zo werd de ‘Catalogue raisonné’ van het Kabinet, in 1895 uitgegeven en door zijn toenmalige onderdirecteur Dr C. Hofstede de Groot persklaar gemaakt, aanstonds een internationale biografische vraagbank voor de vakgenoten. Ook bij latere uitgaven van deze catalogus verschafte hij de bewerker de door hem gevonden biografica. Dit catalogus-werk is, naast Bredius’ aankopen en bruiklenen, de grote verdienste van zijn Directoraat.

En ten slotte zijn manier van conserveren. Het is lang niet zo erg, een museum eens met een minder goed of zelfs met een vals schilderij te verrijken (hetgeen Bredius gelukkig nooit is overkomen), dan één meesterwerk door onoordeelkundige schoonmaak te doen vernielen. Bredius’ devies in deze was: ‘Restaureer nooit, tenzij dit noodig is’. De kennis van het schilderij-herstellen was tijdens zijn directoraat bij vele directeuren nog niet bijster groot en toch moesten zij de hersteller leiding geven. De kans was dus groot, dat deze eigenmachtig zijn gang ging. Bredius heeft dit slechts in enkele gevallen toegelaten, nl. toen hij, op advies van Wilhelm Bode, directeur van het museum te Berlijn, enkele schilderijen door de toen wereld-beroemde Hauser te Berlijn liet herstellen. In onze eigen herstellers had hij in het eerst al evenmin vertrouwen als in allerlei nieuwe technische vondsten, zoals het gebruik van copaïva-balsem. Dit middel heeft hij nooit laten toepassen en dit is een niet te onderschatten geluk geweest voor de conservatie der schilderijen van het Kabinet. Ook was Bredius zeer voorzichtig bij het zogenaamde regenereren, d.w.z. het weer doorzichtig maken van de vernis door alcoholdampen. Bij het dunner maken van àl te dikke vernis-lagen verkoos hij bijna steeds het afpoeieren boven het poetsen. Toen later de Haagse hersteller C.F.L. de Wild blijk gaf van zeer bijzondere gaven, kreeg deze Bredius’ vertrouwen en toen Bredius als directeur heenging, nadat De Wild naar Amerika was vertrokken, was dan ook de conservatie van de verzameling van het Mauritshuis zo goed als men dit verwachten kon. Het onderhoud van zijn aan het Mauritshuis in bruikleen gegeven schilderijen droeg Bredius later op aan degene die toen voor de andere schilderijen in het Mauritshuis zorgde. Het mag wel eens uitdrukkelijk worden verklaard dat het feit, dat nog heden het Kabinet alom bekend staat als een der best geconserveerde collecties van oude schilderijen, is te danken aan het voortzetten van Bredius’ piëteit en voorzichtigheid en aan het blijven vrezen voor toepassing van nieuwe middelen, tenzij hun deugdelijkheid door elders verkregen resultaten ter dege is gebleken.

Dat in het Mauritshuis in de laatste decennia verscheidene stukken zijn hersteld, waaraan Bredius niet dorst te raken hoewel restauratie nodig was, is niet anders dan het gevolg van het toepassen van nieuwe beproefde middelen. Het is te hopen dat ook in de toekomst volgens dit principe zal worden gewerkt.

De aankopen, de catalogus, de conservatie, ziedaar Bredius’ grote verdiensten als ambtenaar gedurende de twintig jaar van zijn directoraat. Jaren, die hem zulk een onvergankelijke liefde voor het Mauritshuis deden opvatten, dat hij het allengs min of meer als zijn eigendom beschouwde. Hij sprak telkens weer in zijn brieven over ‘ons Mauritshuis’, waarbij ‘ons’ niet slaat op het Nederlandse volk, maar sloeg op hem zelf en zijn vroegere onder-directeur. Die gevoelens culmineerden ten slotte in zijn vorstelijk legaat. Er zijn zeven Rembrandt’s bij, voorts werken van Jan Steen, Aelbert Cuyp, Abraham van Beyeren, Carel Fabritius, Barent Fabritius, Jan van Goyen, Calraet, Chardin, Moreelse, Willem van de Velde enz.

Bovendien werd de gemeente ‘s-Gravenhage, die de verzameling in Bredius’ woonhuis reeds sedert 1922 als Museum Bredius in bruikleen had, bij Bredius’ dood eigenaresse van de gehele inhoud dezer woning, aan de Prinsengracht no. 6. Deze collectie bevat behalve schilderijen, waarbij twee superieure Rembrandts, een meesterwerk van Aert van der Neer, werken van Jan Steen, Aelbert Cuyp enz., ook oude meubelen, porcelein en zilverwerk. Zij geeft ons gelegenheid om Bredius’ werkzaamheid als vorser en als verzamelaar als het ware van dichtbij te volgen.

De nog onuitgegeven notities, op zijn reizen en in archieven gemaakt, legateerde Bredius aan ’t Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te ‘s-Gravenhage.

Wij hebben in het bovenstaande het sterkste licht doen vallen op Bredius als Directeur van het Mauritshuis. Immers, als zodanig was hij het meest bekend. Maar zijn verdiensten liggen nog elders. Hij heeft jaren lang andere musea hier te lande van zijn kennis en speurzin doen profiteren. Vond hij op zijn reizen iets, dat hij geschikt achtte voor Haarlem, Dordt, het Haags Gemeentemuseum, het Westfries Museum, of dat te Leeuwarden – om slechts enkele namen te noemen – dan legde hij er de hand op en stelde alles in het werk om het te doen aankopen, al moest hij er soms geld bijleggen. Lukte het niet, dan kocht hij het voor zichzelf. Ook voor verzamelaars hier te lande kocht hij in den beginne nogal eens. Als lid van de Commissie van Toezicht op het Frans Hals Museum zette hij de restauratie der beroemde schutterstukken van Hals door en gaf hij leiding aan de verbouwing van het Oudemannenhuis tot museum. Hij was lid van de Commissie van Toezicht op de Schilderijen der Gemeente Amsterdam (waartoe de Nachtwacht en de Staalmeesters behoren) en van het dagelijks bestuur der Vereniging Rembrandt tot behoud van Kunstschatten in Nederland. Utrecht hielp hij aan een goed restaurateur voor Scorel’s Jeruzalemvaarders. Hij gaf met gulle hand wanneer zeer belangrijke dingen ons land dreigden te verlaten, bekostigde een deel van het herstel van de Goudse glazen, die in verval waren geraakt, kortom hij stak – vaak in stilte – in menig geval de reddende hand toe, gelijk hij ook in stilte veel particulieren financieel steunde, ook kunstenaars en familie van collega’s. Want barmhartig was hij in hoge mate.

Jonge kunsthistorici vonden bij Bredius steeds een geestdriftige ontvangst. Zodra hij bemerkte, dat iemand kijk en belangstelling had, verschafte hij hem introducties, gaf hem notities om te publiceren, enzovoorts. Schmidt Degener, de latere hoofddirecteur van ’t Rijksmuseum – om slechts deze te noemen – was een ‘ontdekking’ van Bredius, die niet naliet, de veelbelovende kunstkenner overal aan te bevelen.

Bredius’ reizen golden deels veilingen, tentoonstellingen en kunsthandelaars, deel waren het systematische speurtochten, b.v. een bezoek aan Poolse musea, kastelen en verzamelaars, aan Franse provinciale musea, aan de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Hij maakte op die tochten nauwkeurige aantekeningen en publiceerde een deel van zijn ervaringen aanstonds. Reeds in 1879 begon hij hiermede. Zijn kleine opstellen in De Nederlandsche Spectator zijn nog heden het lezen waard, niet om hun stijl – want tot zijn groot verdriet was het Bredius niet gegeven als schrijver te boeien – maar om hun wetenschappelijke inhoud. Zijn archiefvondsten stelden hem in staat, de resultaten zijner reizen met biografica te combineren en zo ontstonden reeksen zeer belangrijke opstellen, vooral in het tijdschrift Oud Holland, waarvan hij een der redacteuren was en waarin hij ruim veertig jaren schreef. Ook het Jahrbuch der Kön. Preussischen Kunstsammlungen, The Burlington Magazine, Die Kunstchronik enz. bevatten talloze opstellen van zijn hand, ook polemieken over toeschrijvingen, enzovoorts.

Een groot deel van zijn tijd gaf deze harde werker aan archief-onderzoek. Hij zette daarmede de arbeid van D.C. Meyer, Obreen, De Roever e.a. voort. Met name de notariële archieven der voornaamste 17e eeuwse schilders-centra hadden zijn aandacht: Haarlem, Amsterdam, Leiden enz. Dagen lang, weken achtereen, zocht hij. En hij vond ontzaglijk veel en vaak van dusdanig belang, dat zonder dit werk heel veel ons nog onbekend zou zijn, dat thans is opgehelderd. Vond hij iets, dat anderen zou interesseren, dan deelde hij het aanstonds mede: over de platteelbakkers kreeg Mr v.d. Burgh de notities, over musici en zeevaarders Dr D.F. Scheurleer. Veel van zijn vondsten verwerkte hij – gelijk gezegd – in tijdschrift-artikelen en in de catalogus van het Mauritshuis en later in zijn artikelen in Thieme-Becker’s Allgemeines Künstlerlexikon, waaraan hij jaren medewerkte. Ten slotte gaf hij, met medewerking van Dr O. Hirschmann, zeven delen ‘Künstler-Inventare’ uit, bij Martinus Nijhoff, die een schat van nieuwe gegevens uit archieven bevatten. Het talloze nog onuitgegevene is, gelijk wij reeds zeiden, thans Rijks-eigendom geworden.

Zulk een harde werker had niet veel vrije tijd, zou men zo zeggen. Dat was ook niet het geval zo lang hij in ’t geweer was. Dan was het vaak haasten, redderen, mensen ontvangen, ettelijke weken overdag naar het een of ander archief (hij reisde in Holland derde klasse vanwege de hoge belastingen, waarover hij zich aldoor beklaagde), of ineens een dag of drie naar Berlijn, Londen of Parijs voor de een of andere expositie of veiling. Op zulke reizen hoorde Bredius veel muziek. ’s Avonds thuis wist hij meesterlijk en uitermate gevoelig piano te spelen. ’s Zomers ging hij een maand naar de Franse badplaats Contrexéville om er op zijn verhaal te komen en in het voorjaar vaak naar Florence of andere plaatsen in Italië, of hij reisde naar Spanje of zo. Zijn ruime geldmiddelen veroorloofden hem dit. Maar deze distracties namen slechts een betrekkelijk klein deel van zijn leven in beslag: het grootste deel besteedde deze merkwaardige man aan de bovengeschetste moeizame arbeid en aan zijn publicaties. Hij las enkele vakbladen, maar verder, zover mij bekend, niet veel.

In later jaren, toen hij in Monaco woonde, beperkte hij zijn archiefonderzoek tot de korte tijd die hij jaarlijks in Den Haag doorbracht, maar zijn werkzaamheid als ‘kenner’ nam eer toe dan af. Uit heel de wereld bleven de eigenaars van oud-Hollandse schilderijen toestromen om te weten wat Bredius vond van hetgeen zij hem toonden.

In Monaco ging hij ook door met publiceren en ook bleef hij reizen. Maar – hoe kon het anders? – zijn ‘flair’ verminderde allengs. De vergissingen namen toe. Hij kon niet altijd op tegen de geslepenheid der falsarissen en meer dan eens beklaagde hij zich, dat hij er ingelopen was. Ten slotte heeft men hem door een bedriegelijk verhaal er in laten lopen met Van Meegeren’s pseudo-Vermeer, De Emmausgangers. Door Bredius’ onverflauwd enthousiasme is dit schilderij voor het Museum Boymans aangekocht, wèl een bewijs hoe onwankelbaar de eerbied en bewondering voor Bredius’ kennerschap tot het laatste toe zijn gebleven. Maar een bewijs tevens hoe moeilijk het kennerschap is en hoe ook de meest begenadigden ten slotte kunnen falen. Trouwens, Bredius staat in deze verre van alleen: ook de grote mentor uit zijn jeugd, Wilhelm Bode, is dit overkomen, met een valse Leonardo (de Flora-buste), om slechts dit éne geruchtmakende geval te memoreren.

Het spreekt vanzelf, dat aan Bredius velerlei binnen- en buitenlands eerbetoon ten deel is gevallen, iets waarmee hij kinderlijk blij was. Behalve zijn eredoctoraten sierden hem talrijke hoge ridderorden. Zo was hij groot-officier in de Orde van Oranje-Nassau. Van verschillende binnen- en buitenlandse wetenschappelijke en kunstgenootschappen was hij lid, o.m. van de Kon. Akademie van Wetenschappen. Bij verschillende gelegenheden is hij geëerd. Op zijn zestigste verjaardag verscheen een twee-delige feestbundel in het formaat van het tijdschrift Oud Holland, dat hij sinds 1884 mede redigeerde, en toen hij zeventig werd, werd hij verrast met een geïllustreerde lijst van al hetgeen hij aan onze musea had geschonken en in bruikleen gegeven en van hetgeen voor onze musea door zijn bemiddeling was verkregen. Deze uitgave wordt voorafgegaan door een biografie en gevolgd door een lijst van Bredius’ geschriften.

Zo heeft dan deze bijzondere Nederlander allerminst te klagen gehad over gebrek aan erkenning van zijn verdiensten, noch in zijn vaderland, noch daarbuiten. Maar hij lag ten slotte met de fiscus dusdanig overhoop, dat hij zich vestigde in het belastingvrije Monaco. Hij behoefde toen niet meer te vrezen, dat hij de een of andere geliefde Rembrandt zou behoeven te verkopen. Merkwaardig, ja onverklaarbaar was, dat hij geen van die wondere schilderijen mee naar Monaco nam. Hij liet alles hier, waar tallozen het vrijelijk konden bewonderen. En ten slotte vermaakte hij al dat heerlijke aan de Nederlandse gemeenschap. Bene meruit de patria!

W. Martin

Lijst der geschriften

Een door S.W.F. Margadant samengestelde lijst van geschriften van Dr A. Bredius van 1879 tot 1915, in de Bredius-bundel van Oud Holland in 1915, vindt een vervolg in ‘Dr Abraham Bredius 1855-1925, Album hem aangeboden op 18 April 1925’. Nadien heeft Bredius nog verscheidene kleine bijdragen geschreven in Oud Holland, alsmede in Die Kunstchronik, La Gazette des Beaux Arts en The Burlington Magazine. Belangrijk is het boek over Rembrandt, dat hij op tachtigjarige leeftijd uitgaf met medewerking van Dr H. Schneider en dat een grote bekendheid heeft verworven. De titel luidt: ‘Rembrandt, 630 afbeeldingen’. Het is uitgegeven bij W. de Haan te Utrecht en in verschillende talen verschenen.